|
|

Uitgeverij Saga is begonnen met het op de markt brengen van de Collectie Geheimen van het Vaticaan.
Deze collectie bestaat uit vijf verschillende series. Eén van deze reeksen is Het vijfde evangelie (Le cinquieme evangile).
Jean-Luc Istin is geboren op 01 augustus 1970 in
Frankrijk. Hij volgt een studie kunst en gaat vervolgens in militaire
dienst. Na zijn diensttijd begint hij te schrijven aan stripverhalen. Vanaf 1999 werkt hij aan het fanzine Avenir.
Hier leert hij Guy Michel kennen. Met Michel maakt hij de series 'Aquilon' en 'Arthur Pendragon'.
De afgelopen jaren verschenen meerdere verhalen van zijn hand. Behalve de serie 'Het vijfde evangelie' schreef hij ook
de serie 'De drakenorde' (L'Ordre des dragons) en 'De Druïden'.
Zijn verhalen zijn sterk beïnvloed door mystieke elementen.
|
|
Thimothée Montaigne is
de tekenaar van de reeks 'Het vijfde evangelie'. Hij werd geboren op 14 juli 1982 in Roubaix. Zijn bijdrage aan deze serie
is het eerste werk dat van hem op de markt is verschenen. Over Montaigne zelf is dan ook niet zo heel veel bekend. In ieder
geval nu nog niet.Maar dat deze tekenaar nog veel van zich zal laten horen is, gelet op zijn werk, wel duidelijk. Uit de
weinige informatie die over hem te vinden is, valt af te leiden dat hij verbonden was aan l'institut Saint Luc de Tournai.
Voor zover bekend is hij beïnvloed door het werk van Mathieu Lauffray.
|

|

Acre, herfst 1174. Guillaume, aartsdiaken van Tyr in het Koninkrijk Jeruzalem, volgt broeder Matthieu. De broeder brengt
Guillaume naar de aan Maria gewijde kapel. Hier bevindt zich het lichaam van heer Milon de Plancy. De man is meerdere keren
met een zwaard in de buik gestoken en zijn ogen zijn doorstoken. Milon de Plancy was de regent van de jonge koning Boudewijn IV,
zesde Rooms-Katholieke koning van Jeruzalem. De dood van De Plancy zal vooral Raymond de Tripoli niet slecht uitkomen. Het
is immers algemeen bekend dat De Tripoli zichzelf zag als de aangewezen regent op basis van bloedverwantschap. Guillaume
laat zich door de broeder naar het steegje brengen waar het lichaam door de geestelijke is gevonden. Een blinde
bedevaartganger vertelt Guillaume dat er waarschijnlijk drie moordenaars geweest zijn. Maar eenmaal buiten legt Guillaume
de geestelijke het vuur aan de schenen. Want hij vermoedt dat broeder Matthieu niet de hele waarheid vertelt. Bovendien is
de moord op Milon de Plancy niet de reden dat Guillaume naar Acre is gekomen. Het is de voorliefde van broeder Matthieu
voor jonge kinderen die de aartsdiaken naar deze stad heeft gebracht. Ontsteld dat Guillaume op de hoogte is van zijn
perverse gedragingen, biecht Matthieu de waarheid op. Hij had een jongen de steeg in zien vluchten en wilde zich aan hem
opdringen toen plotseling het lichaam van Milon de Plancy met een klap op de grond terecht kwam. Drie in het wit geklede en
onherkenbare mannen verschenen na hem. Zij doorboorde de regent en staken zijn ogen uit. In zijn angst om ontdekt te worden
verstikte Matthieu het kind. Guillaume maakt duidelijk dat hij walgt van Matthieu en dat hij passende maatregelen zal nemen
tegen de pedofiele geestelijke. Zover komt het niet. De volgende dag wordt Matthieu dood in zijn cel aangetroffen, hij
heeft zelfmoord gepleegd. Bezorgd om de gebeurtenissen trekt Guillaume vervolgens naar Jeruzalem, om de jonge koning
verslag te doen. Boudewijn IV is een bijzonder schrander kind, zeker voor zijn leeftijd. Maar ook een jongen wiens lichaam
langzaam wordt aangetast door lepra. Eenmaal terug in de religieus belangrijke plaats zet Guillaume zijn onderzoek naar de
dood van De Plancy voort. Er wordt gefluisterd dat hij een verbond met Saladin wilde aangaan. Mogelijk dat Robert D'Edaret,
een bloedverwant van Milon de Plancy, meer licht op de zaak kan werpen. Maar zover komt het niet. Want ook Robert D'Edaret
wordt vermoord door de geheimzinnige ridders.

Wanneer Guillaume bij zijn lijk staat krijgt hij een brief in handen. Het is een laatste brief van Robert D'Edaret. Hierin zet hij
uiteen dat Milon geen verrader van Jeruzalem was, dat hij was veranderd door de ontdekking die hij gedaan had. En dat
anderen, die schijnbaar hiertoe geen reden hebben, Milon zwart maken. Maar deze personen zijn met een doel in het
heilige land. Bij de brief is een tweede notitie, van Milon de Plancy. Met ongeloof leest Guillaume de tekst.
In de stad Aquaba houdt Saladin hof. Ook hij leert van de dood van De Plancy, maar niet door de hand van de moordenaar die
hij hiertoe naar Acre had gestuurd. Wat de De Plancy heeft gezien bevindt zich in een kist, verborgen in de ruines van Petra.
Saladin rust een expeditie uit naar de tempel in de berg. In Jeruzalem gaat het steekspel verder. Wie hebben belang bij de
dood van De Plancy? Eudes de Saint-Amand, meester van de tempelorde wellicht? Zeker graaf Raymond III de Tripoli. Of diens
bondgenoot Balian D'Ibelin? En wat te denken van Josselin III, de oom van Boudewijn? Gelukkig is ook Sybille, de oudste zus
van de koning aan het hof. Tijdens het eten komt het gesprek op een ander punt dat op begint te vallen. Jonge weeskinderen
verdwijnen spoorloos, er zouden al 13 jonge Arabische meisjes zijn verdwenen. Wat zit hier achter? Een gestoorde zeker
toch, is de heersende opvatting. Ook bespreekt men de situatie met Saladin. De leider begint machtig te worden, een macht
die wellicht teniet wordt gedaan uit eigen kring van de Moslim leider. De zoon van de vorige leider zal hem doden. Temidden
van dit schimmige landschap trekken Boudewijn en Guillaume er op uit om de verdwijning van de jonge meisjes te onderzoeken.
Dan is er een getuige en zij spreekt van een djinn die de jonge meisjes ontvoerd en vermoord. Maar hun tocht wordt
nauwlettend gevolgd en de dood ligt overal op de loer.
Met het in 2009 verschenen album 'De hand van Fatima' (La main de Fatima) wordt de serie het vijfde evangelie geopend. En het
is een opening die er mag zijn. Een spannend verhaal waarin intrige en moord op het oog een voorname rol spelen. Maar op de
achtergrond is een meer sinister steekspel gaande. Er is sprake van een djinn, een wezen waar in de Koran over gesproken
wordt. Het is een onzichtbaar wezen dat bezit kan nemen van mensen. Wie is het wezen dat jonge meisjes ontvoerd en hen, met
blijkbaar genoegen, vermoord. En waarom precies deze meisjes? Ook de strijd om de macht die aan ieder hof wordt gestreden,
is ook aanwezig in het koninkrijk Jeruzalem. Het verhaal combineert op uitstekende wijze verschillende verhaalselementen
tot een goedlopend en zeer onderhoudend verhaal. Prima begin!
|

Een naam echoot over de vlakte. Het is die van Cerberus. De mannen die gestuurd waren om Boudewijn IV en Guillaume te
vermoorden hebben gefaald. Die avond vraagt Guillaume zich hardop af wat de reden was van de moordaanslag. Zou het zijn
omdat ze de 13 verdwenen meisjes onderzoeken? Nee, er moet meer aan de hand zijn. Maar de schrandere jonge koning lijkt een
aantal van de antwoorden te kennen. Volgens Boudewijn moeten twee zaken niet door elkaar worden gehaald. Het meisje waar
naar gezocht wordt door de moordenaar heet Akila, zij is een bastaardkind en kan een heer en zijn nageslacht compromitteren.
De moordaanslag die op hen is gepleegd had hier echter niets mee te maken, aldus Boudewijn. Dit is het gevolg van de
ontdekking door Milon de Plancy. Het moet gaan om een openbaring waarvan alleen Milon, Ephraïm en een vrouw weet hebben.
Het is deze openbaring die gezocht wordt. En terwijl Boudewijn en Guillaume besluiten terug te keren naar Jeruzalem vindt
er in Damascus een andere gebeurtenis plaats. Saladin en zijn mannen arriveren in de stad. Een gebeurtenis die Nur Ad-Din,
de zoon van de vorige leider van de Moslims, niet zal bevallen. Saladin is van plan na Damascus ook Homs, Hama en Alep
binnen te trekken. Een plan dat Nur Ad-Din zal proberen te voorkomen. Maar Saladin is vastberaden. Alleen verenigd zijn de
Moslims sterker dan de Christenen, verdeeld zijn ze kansloos.

Terug in Jeruzalem slaagt Guillaume er in een van de gedode moordenaars te laten identificeren. De man was een huurling,
lid van het zwarte gezelschap, die werken voor Jacques de Mobreuck. Een man die voor de hoogste bieder werkt.
Maar de moordaanslagen blijven niet alleen beperkt tot Boudewijn en Guillaume. Ook op het leven van Saladin wordt een
aanslag gedaan. Een aanslag die door dezelfde mensen is voorbereid als die op de jonge koning. Ondertussen is
Eudes de Saint-Amand, meester van de tempelorde, aangekomen bij Petra en overziet de slachting die is aangericht. Niemand
heeft het er levend vanaf gebracht. Maar waar is de kist met het evangelie gebleven? Wie staat wie naar het leven en waarom?
Wat is de rol van de moordende Cerberus, wie is zijn meester? En terwijl Saladin steeds sterker wordt en strijd
onvermijdelijk lijkt te worden is het raadsel van de 13 meisjes nog lang niet opgelost.
Met 'Het hol van Cerberus' (L'antre de Cerbere) wordt de serie sterk voortgezet. Zoals verwacht mag worden van Jean-Luc Istin
zet hij het spannende verhaal op een intelligente manier voort. De personages die in het eerste deel werden
geïntroduceerd krijgen een verdere verdieping. Zo lijkt de jonge Boudewijn IV beter geïnformeerd dan de oudere
Guillaume. Ook de historische persoon Saladin (1137-1193) komt nu meer aan bod en er wordt een (klein) tipje opgelicht van
de sluier die de waarheid verhult. Istin verweeft heel kundig historische uitgangspunten met esoterische elementen. Toch
toont hij tegelijkertijd ook de wreedheid en bruutheid van de periode. Thimothée Montaigne vertaalt het scenario op
een prachtige wijze naar het papier, waarmee hij de perfecte sfeer neerzet. Dat ook hij research heeft gedaan tonen de
details van de tekeningen wel aan. Neem bijvoorbeeld de bescherming die Saladin onder zijn kleding draagt. Dit is een mooi
voorbeeld van de lichaamsbescherming die inderdaad gangbaar was in die tijd in het Midden-Oosten. Ook de levendigheid van
de personen legt hij uitstekend vast. De oogopslag, de gezichtsuitdrukking, perfect gedaan. Geweldige serie.

|
|